Een Canadese leverancier laat zijn AI-systeem testen, betaalt voor een technische beoordeling en wil het product vervolgens ook in Europa verkopen. Moet hij dezelfde controles opnieuw laten uitvoeren? Als het aan de Europese Unie en Canada ligt, hoeft dat in de toekomst niet altijd meer.
Tijdens hun top in Montréal op 30 oktober spraken beide partijen af om te werken aan wederzijdse erkenning van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen voor AI-systemen. Daarmee willen ze voorkomen dat bedrijven aan beide kanten van de Atlantische Oceaan onnodig dezelfde tests en beoordelingen moeten doorlopen.
Dat klinkt als een belangrijke stap richting eenvoudigere markttoegang. Maar er zit een juridisch verschil tussen de ambitie om beoordelingen te erkennen en een regeling die dat daadwerkelijk mogelijk maakt. Die laatste bestaat op basis van deze afspraak nog niet. Een Canadese AI-beoordeling krijgt dus niet plots dezelfde juridische waarde als een Europese conformiteitsbeoordeling. De AI Act blijft ongewijzigd en bedrijven moeten nog altijd aan de toepasselijke Europese eisen voldoen.
Voor de voorbereidingen van de inhoud en creatie van de visuals wordt (uiteraard) gebruikgemaakt van generatieve AI.
Twee woorden maken het juridische verschil
De afspraak staat in paragraaf 26 van de gezamenlijke verklaring van de EU en Canada.
Daarin verbinden beide partijen zich ertoe om “work towards mutual recognition”: toe te werken naar wederzijdse erkenning. AI-conformiteitsbeoordelingen vormen een van de drie digitale domeinen waarvoor ze die mogelijkheid willen onderzoeken.
Voor juristen en complianceverantwoordelijken zijn vooral de woorden work towards belangrijk. De EU en Canada erkennen elkaars beoordelingen nog niet. Ze spreken af om te onderzoeken en uit te werken hoe dat in de toekomst zou kunnen gebeuren.
De verklaring vermeldt ook niet welke AI-systemen onder zo’n regeling zouden vallen, welke beoordelingsinstanties erkend zouden worden of welke technische normen als basis zouden dienen. Zelfs de precieze vorm van de erkenning ligt nog niet vast.
Dat maakt de verklaring politiek relevant, maar juridisch beperkt. Ze geeft een richting aan zonder al een nieuwe procedure voor markttoegang te creëren. Een leverancier die vandaag een Canadese beoordeling heeft, kan zich dus niet op deze topverklaring beroepen om Europese conformiteitsverplichtingen over te slaan.
Een AI-audit is niet automatisch een conformiteitsbeoordeling
In de praktijk worden begrippen als audit, certificering, keuring en conformiteitsbeoordeling vaak door elkaar gebruikt.
Onder de AI Act zijn ze niet zomaar uitwisselbaar.
Een commerciële audit kan bijvoorbeeld onderzoeken of een AI-systeem voldoende betrouwbaar is, hoe het met persoonsgegevens omgaat of welke veiligheidsmaatregelen de aanbieder heeft genomen.
Zo’n onderzoek kan waardevolle informatie opleveren. Maar dat betekent nog niet dat het systeem de wettelijk vereiste Europese conformiteitsbeoordeling heeft doorlopen.
Voor aanbieders van hoogrisico-AI-systemen voorziet de AI Act specifieke procedures voordat zij hun systemen op de Europese markt brengen of in gebruik nemen.
Welke procedure van toepassing is, hangt af van het systeem.
Voor bepaalde categorieën kan de aanbieder een beoordeling uitvoeren via interne controle. In andere gevallen moet een aangemelde instantie, een notified body, worden betrokken.
Wanneer AI onderdeel is van een product dat al onder Europese productwetgeving valt, zoals bepaalde medische hulpmiddelen of machines, wordt de AI-beoordeling geïntegreerd in de toepasselijke sectorale procedure.
Daarna kunnen verplichtingen volgen rond de EU-conformiteitsverklaring, CE-markering en registratie. Het is dus niet voldoende om te vragen of een systeem ergens ter wereld al is getest.
De relevante vraag is of het resultaat van die test juridisch kan worden gebruikt binnen de Europese procedure die voor dat specifieke systeem geldt. De afspraak met Canada verandert dat voorlopig niet.
Wederzijdse erkenning hoeft geen wederzijdse goedkeuring te betekenen
Een toekomstige regeling kan bedrijven veel werk besparen zonder dat de EU haar eigen AI-regels versoepelt. Stel dat een Canadese beoordelingsinstantie een reeks technische tests uitvoert volgens normen die ook voor de Europese conformiteitsbeoordeling relevant zijn.
Als beide partijen later overeenkomen dat zulke testresultaten onder bepaalde voorwaarden mogen worden overgenomen, hoeft een leverancier die tests mogelijk niet opnieuw te laten uitvoeren.
Dat kan tijd en geld besparen. Maar het betekent niet noodzakelijk dat een AI-systeem dat in Canada is goedgekeurd, automatisch op de Europese markt mag worden gebracht.
De EU kan haar eigen wettelijke eisen blijven toepassen, terwijl ze bepaalde buitenlandse testresultaten als bewijs accepteert. Ook kan de erkenning beperkt blijven tot specifieke beoordelingen, technische normen of categorieën systemen.
Een regeling zou bijvoorbeeld bepaalde laboratoriumtests kunnen omvatten, maar niet de volledige beoordeling van risicobeheer, technische documentatie en andere verplichtingen onder de AI Act.
Precies daarom is het te vroeg om te spreken van één gezamenlijk Europees-Canadees AI-keurmerk. Wat beide partijen uiteindelijk zullen erkennen, moet nog worden vastgelegd.
Voor inkopers telt wat er werkelijk getest is
Voor bedrijven die AI-systemen inkopen, is de herkomst van een certificaat minder belangrijk dan wat het certificaat daadwerkelijk bewijst.
Een leverancier kan een indrukwekkend auditrapport voorleggen. Maar als dat rapport betrekking heeft op een oudere modelversie, een beperkte testomgeving of een ander gebruiksscenario, zegt het mogelijk weinig over het systeem dat vandaag wordt aangeboden.
Neem een AI-toepassing die oorspronkelijk werd beoordeeld voor het samenvatten van documenten, maar later wordt aangepast om automatisch beslissingen te ondersteunen in een personeelsproces.
De technische basis kan grotendeels dezelfde zijn. De risico’s en toepasselijke verplichtingen kunnen aanzienlijk verschillen. Een beoordeling van de oorspronkelijke toepassing biedt dan niet vanzelfsprekend voldoende onderbouwing voor het nieuwe gebruik.
Bij hoogrisico-AI kan een substantiële wijziging bovendien een nieuwe conformiteitsbeoordeling noodzakelijk maken. Daarom moeten inkoop- en complianceafdelingen verder kijken dan de naam van de beoordelingsinstantie of het logo op een certificaat.
Ze moeten kunnen vaststellen welke systeemversie is onderzocht, welke eisen zijn getoetst, welke methode werd gebruikt en voor welk doel de beoordeling geldig is. Dat blijft ook relevant als de EU en Canada later tot een erkenningsregeling komen.
Een erkend beoordelingsresultaat is immers alleen bruikbaar voor zover het daadwerkelijk betrekking heeft op de verplichtingen en het systeem waarvoor het wordt ingeroepen.
De Europese deadlines schuiven niet op
De politieke afspraak met Canada heeft ook geen invloed op de toepassingstermijnen van de AI Act.
De transparantieverplichtingen van artikel 50 gelden sinds 2 augustus 2026. Voor aanbieders van systemen die synthetische audio, beeld, video of tekst genereren en al vóór die datum op de markt waren, geldt voor de specifieke verplichting uit artikel 50(2) een overgangstermijn tot 2 december 2026.
Voor hoogrisico-AI gelden andere data.
Volgens de in de aangeleverde tekst beschreven wijzigingen via de Digital Omnibus worden de regels voor hoogrisicosystemen uit Annex III van toepassing op 2 december 2027. Voor hoogrisico-AI die onderdeel is van gereguleerde producten uit Annex I geldt 2 augustus 2028.
Juist voor die hoogrisicosystemen kan wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen later belangrijk worden.
Maar bedrijven kunnen hun voorbereiding niet uitstellen in afwachting van een mogelijke overeenkomst met Canada. Er is nog geen definitief erkenningsmechanisme, en evenmin is duidelijk wanneer zo’n regeling beschikbaar zou kunnen zijn.
De winst zit mogelijk in minder dubbel werk, niet in minder regels
Voor internationale AI-aanbieders kan wederzijdse erkenning een aanzienlijk verschil maken. Een leverancier die op meerdere markten actief is, moet vandaag rekening houden met uiteenlopende wettelijke eisen, beoordelingsprocedures en documentatieverplichtingen.
Sommige controles kunnen inhoudelijk sterk op elkaar lijken. Toch kunnen ze afzonderlijk moeten worden uitgevoerd omdat de resultaten niet automatisch over de grens worden aanvaard.
Dat leidt tot extra kosten, langere voorbereidingstrajecten en soms vertraging bij het op de markt brengen van producten. Als de EU en Canada erin slagen bepaalde beoordelingsresultaten wederzijds bruikbaar te maken, kan dat een deel van die administratieve last verminderen.
Vooral kleinere AI-aanbieders kunnen daarvan profiteren. Zij beschikken doorgaans over minder juridische en technische capaciteit om voor elke markt afzonderlijke beoordelingstrajecten te organiseren.
Maar er bestaat ook een reëel risico dat de praktische winst beperkter uitvalt dan de politieke aankondiging doet vermoeden. Wanneer een toekomstige regeling slechts een kleine groep tests omvat, of wanneer beoordelingsinstanties aan complexe erkenningsvoorwaarden moeten voldoen, kan het voordeel voor leveranciers bescheiden blijven.
De waarde van de afspraak zal daarom niet worden bepaald door het principe van wederzijdse erkenning, maar door de concrete reikwijdte ervan. Welke resultaten mogen worden hergebruikt? Welke instanties mogen ze afgeven? Welke normen gelden? En hoeveel van de Europese conformiteitsprocedure blijft daarna nog over?
Zolang die vragen onbeantwoord zijn, kan niemand betrouwbaar berekenen hoeveel tijd of geld bedrijven ermee zullen besparen.
Een Canadees certificaat blijft voorlopig aanvullend bewijs
Voor ondernemingen die vandaag een AI-systeem uit Canada inkopen, is de situatie helder. Een Canadese audit of certificering kan nuttige technische informatie bevatten. Ze kan helpen om risico’s te beoordelen, leveranciers te vergelijken of bepaalde onderdelen van een complianceonderzoek te onderbouwen.
Maar ze vormt niet automatisch een juridisch alternatief voor de conformiteitsprocedure die de AI Act voorschrijft. Ook aanbieders die zelf systemen op de Europese markt willen brengen, moeten blijven nagaan welke verplichtingen voor hun product gelden.
De topverklaring van 30 oktober verandert daar niets aan.
Wat de EU en Canada hebben afgesproken, is wel een eerste stap naar een mogelijk praktischer systeem voor internationale AI-beoordelingen. In plaats van telkens dezelfde technische controles te herhalen, zouden beide markten op termijn bepaalde resultaten van elkaar kunnen aanvaarden.
Of dat werkelijk gebeurt, hangt af van een toekomstige formele regeling. Tot die tijd kan een leverancier terecht zeggen dat zijn AI-systeem in Canada is beoordeeld. Maar wie daaruit concludeert dat het systeem daarmee ook aan de Europese AI Act voldoet, slaat precies de juridische stap over die Brussel en Ottawa nog moeten uitwerken.

