Nieuwe EU-verordening maakt AI-boetes een stuk concreter
Vanaf 2 augustus 2026 beschikt de Europese Commissie over nieuwe bevoegdheden om toezicht te houden op aanbieders van general-purpose AI-modellen (GPAI), zoals grote taalmodellen en foundation models. Maar hoe zo’n onderzoek precies verloopt en welke rechten aanbieders daarbij hebben, bleef lange tijd onduidelijk. Met een nieuwe uitvoeringsverordening schept de Commissie nu duidelijkheid. Ze beschrijft stap voor stap hoe onderzoeken worden gevoerd, hoe modelaanbieders zich kunnen verdedigen en hoe eventuele boetes op grond van artikel 101 van de AI Act tot stand komen. Het document creëert geen nieuwe sancties, maar legt wel vast hoe de bestaande sanctiebevoegdheden in de praktijk zullen worden toegepast.
Van theoretische sancties naar een concreet handhavingskader
Toen de AI Act werd goedgekeurd, bevatte artikel 101 al de mogelijkheid om aanbieders van general-purpose AI-modellen aanzienlijke boetes op te leggen bij overtredingen van hun verplichtingen.
Wat nog ontbrak, was een duidelijk proces.
De nieuwe uitvoeringsverordening vult precies dat gat op. Ze bepaalt wanneer de Commissie een formeel onderzoek mag openen, welke onderzoeksmaatregelen mogelijk zijn, hoe voorlopige bevindingen worden meegedeeld en welke procedure een aanbieder kan volgen om zich te verdedigen. Daarmee evolueert de AI Act van een wettelijk kader naar een praktisch afdwingbaar toezichtssysteem.
De Commissie krijgt verregaande onderzoeksbevoegdheden
Een opvallend onderdeel van de verordening betreft de evaluatie van general-purpose AI-modellen.
Wanneer de Commissie een model wil onderzoeken, kan zij veel verder gaan dan een gewone documentcontrole. Afhankelijk van het doel van het onderzoek kan zij toegang vragen via API’s, interne testomgevingen, broncode, modelgewichten en zelfs de infrastructuur waarop een model draait. In bepaalde gevallen kan de Commissie ook eisen dat logging wordt uitgeschakeld wanneer die de vertrouwelijkheid of integriteit van het onderzoek zou kunnen beïnvloeden.
Daarnaast kan de Commissie onafhankelijke experts aanstellen om technische evaluaties uit te voeren. Voor die experts gelden strenge onafhankelijkheids- en vertrouwelijkheidsvereisten om belangenconflicten te vermijden en bedrijfsgeheimen te beschermen.
Ook aanbieders krijgen duidelijke procedurele rechten
De verordening draait niet uitsluitend om strengere handhaving. Ze legt ook belangrijke waarborgen vast voor aanbieders van AI-modellen.
Voordat een boete wordt opgelegd, moet de Commissie haar voorlopige bevindingen meedelen. De betrokken aanbieder krijgt vervolgens minstens 21 dagen om schriftelijk te reageren en ondersteunend bewijs aan te leveren. Daarnaast bestaat het recht om het dossier in te kijken, al kunnen vertrouwelijke bedrijfsgegevens daarbij worden afgeschermd of uitsluitend onder strikte voorwaarden beschikbaar worden gesteld aan externe juridische of technische adviseurs.
Op die manier probeert de Europese Commissie een evenwicht te vinden tussen een doeltreffende handhaving en het recht van ondernemingen om zich degelijk te verdedigen.
De klok blijft niet onbeperkt tikken
Opvallend is dat de uitvoeringsverordening ook verjaringstermijnen invoert.
De Commissie krijgt in principe vijf jaar de tijd om een boete op te leggen vanaf het moment waarop de inbreuk plaatsvond. Bij voortdurende of herhaalde overtredingen begint die termijn pas te lopen zodra de overtreding is beëindigd. Onderzoeksmaatregelen, zoals informatieverzoeken, modelevaluaties of het openen van een formele procedure, onderbreken die termijn opnieuw.
Ook voor de invordering van opgelegde boetes geldt een afzonderlijke verjaringstermijn van vijf jaar, zodat zowel toezichthouder als ondernemingen meer rechtszekerheid krijgen.
Wat betekent dit voor aanbieders van foundation models?
Voor organisaties die zelf general-purpose AI-modellen ontwikkelen of aanbieden, is dit meer dan een administratieve verduidelijking.
De uitvoeringsverordening maakt duidelijk dat de Europese Commissie niet alleen sanctiebevoegdheden bezit, maar ook beschikt over een uitgewerkt onderzoeksproces met technische expertise, formele procedures en duidelijke bevoegdheden om diepgaand onderzoek uit te voeren.
Voor de meeste Europese bedrijven verandert er op korte termijn weinig. Zij gebruiken bestaande AI-modellen als afnemer of integreren AI in hun eigen toepassingen en vallen dus niet rechtstreeks onder artikel 101 van de AI Act.
Voor aanbieders van foundation models ligt dat anders. Zij doen er goed aan hun documentatie, technische dossiers, governance, risicobeheer en interne complianceprocedures op orde te hebben. Niet alleen omdat de AI Act dit vereist, maar ook omdat de Commissie nu precies heeft vastgelegd hoe een onderzoek zal verlopen wanneer zij vermoedt dat verplichtingen niet worden nageleefd.
De handhaving van de AI Act krijgt vorm
Deze uitvoeringsverordening introduceert geen nieuwe boetes en verhoogt de bestaande sancties niet. De belangrijkste verandering zit elders.
Voor het eerst bestaat er een volledig procedureel kader dat beschrijft hoe onderzoeken naar general-purpose AI-modellen worden gevoerd, welke rechten en plichten daarbij gelden en hoe een eventuele sanctie tot stand komt.
Daarmee zet de Europese Commissie opnieuw een belangrijke stap in de operationalisering van de AI Act. Waar de wet aanvankelijk vooral de regels vastlegde, wordt nu ook duidelijk hoe die regels in de praktijk zullen worden gehandhaafd.

